digitale kaart friesland  
 
 
 

Twijzelerheide in beeld

 

Welkom in Twijzelerheide

Twijzelerheide is vanouds één van de heidedorpen. Vanwege de ligging aan de grens met twee andere gemeenten (Dantumadeel en Kollumerland c.a.) is de bevolking mede "noordelijk" gericht. Voor de werkgelegenheid is men in belangrijke mate aangewezen op bedrijven in de omgeving en ook op Leeuwarden. Als heidedorp heeft Twijzelerheide buiten de bebouwing langs de hoofdwegen vroeger overwegend een verspreide bebouwing gehad. Door de uitbreidingen na 1945 is in de loop der jaren de vorming van een dorpskom op gang gekomen.

Geschiedenis

De eerste bewoners van de woeste heide waren onde andere werkloos geworden arbeiders, toen de turfstekerij in de omgeving ophield en steeds meer grond in cultuur werd gebracht. Er waren geen sociale voorzieningen, dus was er nergens plek om te wonen, behalve op dit onontgonnen stuk grond. Van plaggen en wat afvalmateriaal werden onderkomens, zogenaamde spitketen, gebouwd.
De grond was zo arm dat er nauwelijks iets te verbouwen viel en over veehouden viel al helemaal niet te denken. Soms lukte het wat aardappelen te laten groeien.

Wegen en paden waren nog onverhard. Alleen de provinciale weg (van Leeuwarden naar Groningen) was in 1830 bestraat met klinkers. Pas na 1870 werden mondjesmaat grindwegen naar de omliggende dorpen aangelegd. Tot die tijd was het vooral in de winter vaak een haast ontoegankelijk gebied.
Grote delen van de heide stonden dan onder water en de zandwegen waren vaak veranderd in modderpoelen.
Nadat Pieter Jelles Troelstra omstreeks 1897 de Kootsterheide bezocht had vertelde hij: 'Mijne begeleiders, waaronder een daar wonende landbouwer, wisten wel wat ze deden, toen zij mij de weg naar de zogenaamde Zwadde langs voerden. Het was soms een halsbrekende toer, om die slijkerige vaak onbegaanbare weg langs te komen. Wie in steden of bebouwde kommen woont, denkt vaak niet aan het ongerief van hen, die buiten in de heide of op het veld wonen. Toch is deze weg dit jaar, nu de waterstand laag is, nog uitstekend vergeleken met andere winters. Dan staat hij een eind onder water en menig heidebewoner, die hem met zijne vrouw moet passeren, trekt zijn kousen uit en baggert door het water op bloote voeten en met zijne vrouw op den rug.'

De heidebewoners moesten aan de kost zien te komen met wat zich maar voordeed. Als los arbeider konden ze soms bij de boer terecht, in 't voorjaar bijvoorbeeld in 't Groningerland en de Friese bouwhoek om te wieden. In de zomer was er werk te vinden op 't hooiland. In de herfst waren er weer mensen nodig voor 't aardappelrooien. In de winter was er geen werk te vinden en werd er wat bijverdiend door een soort huisvlijt: stoelen matten, maken van heideboenders en bezems, draaien van roop (strotouw). Vooral vroeg in de negentiede eeuw werden deze produkten uitgevent in Groningen of over de Friese Klei. Aan het einde van die
eeuw nam die handel af door concurrentie van plaatselijke winkeliers. Toch was het zelfs in de voorspoedige jaren ongeveer tussen 1875 en 1880 voor deze los arbeiders pure armoe wat de klok sloeg, want de
lonen waren veel te laag om redelijk van te kunnen leven.
In het laatst van de negentiende eeuw trokken mannen als melker naar Duitsland, omdat daar veel landarbeiders wegtrokken naar de industrie. Ook daar kwamen sommige heidsjers aan de slag in grondwerk, opperwerk, kabelleggen en bovengronds werk bij de mijnen. Na 1900 begon ook het mollenvangen steeds lucratiever te worden, vooral omdat de mollenvellen waarde kregen voor bontwerk.

In 1862 voor 't eerst een openbare school gesticht op de heide. In 1866 liet de armvoogdij van Twijzel een begraafplaats aanleggen. Inmiddels vestigden zich langs het wyldpaed boeren die weggetrokken waren uit de dorpen en hier probeerden een bestaan op te bouwen.

Bron: www.twijzelerheide.net

Wapen van Twijzelerheide

" Doorsneden: a. van goud; overtrokken van rood, driemaal getand en rakende de bovenrand van het schild, beladen met een takkenbos, ter weerszijden vergezeld van een heidebloem met rond het hart vier kleine kroonbladeren, geplaatst volgens een schuinkruis, en vier grote kelkbladeren, geplaatst volgens een recht kruis, alles van zilver; b. in groen een rechtsschuin geplaatste gouden punt, uitgaande van de linker schildrand en de top de rechter schildhoek rakende, de punt beladen met een rechtsschuin geplaatste groene klaver. "

Wapen van Twijzelerheide

Oorsprong/verklaring :
Het motto "fan heide naar greide" is de basis geweest voor dit wapen. De bovenste helft is rood ter herinnering aan de heide. Hier woonden in armelijke hutten de bevolking. Deze z.g. spitketen of plaggenhutten worden weergegeven door de drie rode punten. De arme zandgrond bracht nauwelijks iets op. Het goud in het wapen, dat allereerst de zandgrond symboliseert, wil hier ook zeggen: achter de ellende gloort een betere toekomst. Op de heide werden bezems en boenders van heide en berkentakken gemaakt. Ook werd dit hout als brandstof verhandeld. Als herinnering hieraan staan op het rode veld een takkenbos en gestileerde bloemen van de struikheide. De onderste helft is groen als symbool van de "greide" of de huidige landbouwgrond. De gouden punt is de gestileerde vorm van een ploegijzer, welke nodig was om de "heide tot greide" te verwerken. De schuine plaatsing is om aan te geven dat alle landbouwkavels in de richting noordwest - zuidoost zijn gelegen.

Bron: www.ngw.nl

 


Rohel


 
             
Copyright © 2006 Friesland digitaal