Brantgum in beeld

 

Welkom in Brantgum

Als we praten over de geschiedenis van een stad of dorp dan rijst vrijwel altijd het eerste de vraag hoe oud die plaats wel is. Op die vraag is bijna nooit een bevredigend antwoord te geven en dat geldt ook voor Brantgum. We kunnen bij die vraag van twee zaken uitgaan;
1. uit welke tijd dateren de oudste bewoningssporen en
2. wanneer werd een nederzetting een "dorp' en het antwoord daarop hangt meestal samen met het tijdstip waarop de eerste kerk gebouwd werd en de plaats een zelfstandige parochie is geworden.

Voor Brantgum kunnen wij aan de hand van bodemvondsten zeggen, dat daar hoogstwaarschijnlijk al tamelijk in het begin van onze jaartelling mensen gewoond hebben. Bij de verbreding van de weg Holwerd - Dokkum zijn daarvan enkele sporen gevonden in de vorm van fragmenten aarde-werk en een van onregelmatige insnijdingen voorzien stuk rib, dat mogelijk bij het kaarden van wol gebruikt zou kunnen zijn. Veel is het dus niet en van de toenmalige mensen weten wij eigenlijk heel weinig of niets.

Iets meer kunnen wij zeggen van het ogenblik waarop Brantgum een kerkdorp werd. Bij de restauratie van het kerkgebouw in 1973 werd de pleisterlaag van de muren gehaald en toen kwamen de oudste bouw-fragmenten aan het licht. Het daarbij gebruikte materiaal - tufsteen - en de resultaten van een toen uitgevoerd bodemonderzoek bracht aan het licht dat de kerk in de 12e eeuw, dus tussen het jaar 1100 en 1200 gebouwd moet zijn. Aan de hand daarvan zouden wij kunnen zeggen dat het dorp nu zo1 n ruim 800 jaar oud is. Van het oorspronkelijk kerkgebouw moeten wij ons niet al te grote voorstellingen maken. Het was een klein, rechthoekig gebouwtje met een oppervlakte van 7 x 14 m. en waarschijnlijk nog zonder toren. In de loop van de tijd is het gebouw in de 15e en 16e eeuw uitgebreid en kreeg het ongeveer zijn tegenwoordige vorm.
Brantgum was dan rond 1200 wel een dorp, maar dat is dan ook alles wat wij er van weten. Wij kunnen hoogstens zeggen dat de stenen en bodem-vondsten spreken, maar de mensen zwijgen nog in alle talen, althans op papier. Halverwege de 15e eeuw begint dat anders te worden. Mogelijk het oudste stuk dat bewaard is gebleven is een akte van huwelijks-voorwaarden tussen Aede Keijmpeszoon Jonghama en Hacka Gherkisdochter Eijsingha, waarbij een zekere Liwa Homma 's zoon 12 oude schilden "rente uit Brantgum'inbrengt. Heel langzaam en aarzelend komt dan de schriftelijke vermeldingen van Brantgum op gang. Zo was het dorp in 1491 betrokken bij het verbond, dat de stad Groningen sloot met een groot aantal kloosters en hoofdelingen in Oostergo onder leiding van abt Johannes van Dokkum en menne Jaerla uit Wetzens. In 1539 was Brantgum betrokken bij een proces tegen het klooster Klaarkamp over het onderhoud van de hoge brug over de Ee. Het ging daarbij om een bedrag van 250 ggl en Aebe Sjucksma uit Waaxens was een van de raadslieden van de eisers.


Over het dorp en zijn inwoners komen wij het een en ander te leert ons de naam van een aantal zaten, waarvan de meesten in de loop van de tijd verloren zijn gegaan, zoals Amminga, Teijtiema en Jaringa. Misschien zouden die namen in onze tijd als straat- of huisnamen weer in ere hersteld kunnen worden. Brantgum telde toen negen bedrijven en het valt op dat die over het algemeen - zeker voor die tijd - Vrij groot waren. Montiama of Monsma spande met 110 pm. de kroon, op de voet gevolgd door Ammama met 100 pm. Gemiddeld telde een bedrijf toen ruim 69 weten uit het "register van de aanbreng' "uit 1511, een soort grond-belastingkohier. Het pm en zij besloegen 64,5 % van het totale grondbezit van 969 pm. dat Brantgum rijk was. Ook de kerk had bezit, al was dat niet zo groot als wij meestal denken. Voor het onderhoud van het kerkgebouw was de opbrengst van ruim 14 pm beschikbaar, terwijl de pastoor aanspraak kon maken op een huis met 60 pm land. Dat Brantgum in die tijd een welvarend dorp was blijkt ook de opgave van de jaartax, waarvoor ieder dorp aangeslagen werd. Ternaard en Nes staan met aan aanslag van 100 florenen bovenaan, gevolgd door Brantgum met 50 f1. Hantumhuizen volgt dan met 37 f1 en alle andere dorpen , zowel in Oost- als in Westdongeradeel liggen daar onder.Dat het Brantgum en zijn inwoners goed ging blijkt ook uit de aanwezigheid van ambachtslieden. het register van 1511 noemt er twee: de kleermaker Claes en de wever Jacob. Naast hun ambacht hielden zij zich ook met het bewerken van land bezig. Claes had daarvoor een stuk grond gepacht van Dowama zate, terwijl wever Jacob zelf 34 pm in bezit had.


Ruim 30 jaar later, in 1542, beval koningin Maria, die als regentes namens haar broer keizer Karel V de Nederlanden regeerde, alle kerkelijk bezit en inkomsten te registreren. Dat gebeurde in het bewaard gebleven "beneficiaalboek". Ook in dat boek vinden wij de namen van een aantal nazaten: Menneda, Minnerda, Verdouwema, Montiama en Ripema. Daarnaast komen wij voor het eerst enkele landnamen tegen zoals Foudgumme Falich, de Meerswal, de Bueren en de Heereweg.
De pastoor kon nog steeds beschikken over ziijn 60 pm met "huis, hof, hofstede en terpland." Hij kon vrij over de opbrengst daarvan beschikken, maar er stonden ook lasten tegenover. Zo moest hij zijn aandeel in de kosten van de Bornwerderzijl betalen, Ook moest hij het onderhoud van de Ee en de Heereweg over een lengte van 150 roeden voor zijn rekening nemen. Voorts was hij belast met de kosterij voor wat betreft het klokluiden en het onderhoud en de tijdige vernieuwing van het klokkentouw, wat hem 3 ggl per jaar kostte.


Een voor het dorp uiterst belangrijke vernieuwing was de instelling van de "prebende" of."jongerleen" in 1542, ter vermeerdering van de dienste Gods en de onderwijsinge der kinderen". We hebben hier te doen met de eerste school van Brantgum, misschien wel de oudste in onze omgeving. De prebende kon beschikken over huis, hof en terpland", 8 pm weiland en 10 pm bouwland. De opbrengst daarvan bedroeg ongeveer 20 ggl per jaar en daarvan moest het tractement van de schoolmeester en het onderhoud van het schoollokaal betaald worden. Rond 1850 was dat bedrag gestegen tot hfl.350, die de kerkvoogdij jaarlijks uit de opbrengst van de schoollanden aan de school afstond.


Weer een beetje meer informatie geeft ons het in 1580 met oog op de overgang naar de reformatie op last van de Staten van Friesland opgemaakte "register van geestelijke opkomsten". Evenals het beneficiaalboek gaat het hier om een opgave van kerkelijke bezittingen en inkomsten. Uit dit stuk kennen wij de naam van de laatste pastoor van Brantgum, Lolke Heeres, Bij de komst van de eerste predikant, Albertus, in 1580 had hij de pastôrie moeten ontruimen, maar hij bleef rustig in het dorp wonen op zijn huisstede met 10 pm. land. De overgang van de oude kerk naar de nieuwe leer is in Brantgum heel rustig en kalm verlopen. tekenend daarvoor is dat de schoolmeesters in de eerste tientallen jaren nog steeds het oude geloof toegedaan waren.


Behalve pastoor en predikant leren wij ook de eerste kerkvoogd kennen in de persoon van Jarich Ruirtszoon en tevens maken wij kennis met de toenmalige dorpsvolmachten Tialle Janszoon en Eete Janszoon. De school werd bij gelegenheid van de overgang "geseculariseerd". Tot dusver werd daar het onderwijs verzorgd door de prebendepriesters, van wie Theodoricus Herconis de laatste was. Brantgum kreeg van de Staten verlof om een schoolmeester te beroepen. Dat moet vrij moeizaam verlopen zijn want de beroepingskosten logen er niet om: 11 gulden en 9 stuivers. Gemakshalve heb ik het bedrag opgegeven in de toen geldende Caroli guldens. Men werkte in die tijd, - 1581 - vaak nog met verschillende muntsoorten tegelijk. Zo staat er in het register letterlijk dat de onkosten bedroegen drie franse kronen van 5521 stuiver per stuk, êên gouden prinsen daalder van 14 stuivers en êên hollandse daalder van 17 stuivers.
Wii heben nu in grote lijnen de eerste 400 â 500 jaar van de geschiedenis van Brantgum wel te pakken. Erg veel weten wij niet uit die tijd, maar vanaf einde 1600 gaat het aanmerkelijk beter. Er werd meer te boek gesteld en wat er was is beter bewaard gebleven.Het aantal van negen boerenbedrijven uit 1511 was rond 1700 toegenomen tot 17. Monsma, het oude Monthiama, ging met 100 pm nog steeds aan kop. Bij een ongeveer gelijkgebleven dorpsgebied zijn de bedrijven natuurlijk stuk voor stuk kleiner. In 1700 was de gemiddelde bedrijfsgrootte van 64,5 pm in 1511 dan ook teruggelopen tot ongeveer 45 pm. Vanaf 1750 beschikken wij over de oude belastingkohieren, die ons wat meer inzicht geven over het wel en wee van het dorp. Met name leveren die ons een schat van gegevens op over de agrarische bedrijfsvoering. Zo weten wij dat tot 1773 de veehouderij daarin de belangrijkste plaats innam. In 1750 bestond de hele veestapel uit 51 koeien, 11 rieren en 46 paarden. In de loop van de volgende jaren neemt dat aantal langzaam toe tot het hoogtepunt met 74 koeien en 44 stuks jong-vee in 1769, waarbij ruim 56 % van de grond bestond uit weiland. In 1773 kwam er een omslag. Waarschijnlijk tengevolge van de in die tijd heersende runderpest vertoont het aantal koeien een afname van 14 stuks een vrij lichte daling. Mogelijk heeft men uit de goede jaren daarvoor een behoorlijke financiele reserve kunnen opbouwen, want in diezelfde tijd steeg het aantal stuks jongvee met 32 dieren, die men voor het grootste deel elders - mogelijk in Denemarken had gekocht. Wat in diezelfde tijd ook veranderde was de verhouding weiland -bouwland. Waren in 1773 nog maar 390 pm voor akkerbouw gebruikt, een jaar later was dat toegenomen tot 511 pm, of ruim 54 % van het geheel. Twee jaar later werd met 550 pm de absolute top bereikt. Het meest van voor de hand ligt de verklaring dat men zich toen op de vlasbouw is gaan toeleggen. Dat heeft de boeren in Brantgum geen windeieren gelegd want de belastingkohieren laten ons in die jaren een snelle stijging van het inkomen zien. Het aantal mensen dat in aanmerking kwam voor een aanslag in heel hoofdgeld, wat het geval was bij een bezit van 600 gld, liep in êên jaar op van 23 in 1773 tot 47 een jaar later. Dat vrij hoge peil bleef gedurende de volgende 20 jaar vrijwel op datzelfde hoge peil gehandhaafd. Dat was zelfs het geval toen vanaf 1780 de akkerbouw beduidend terug begon te lopen. Het verlies ving men op door een evenredige uitbreiding van de veestapel.

In 1700 waren vrijwel alle Brantgumer boeren pachters. eigenaren waren buiten het dorp wonende adelijke grootgrondbezitters zoals Aylva, Harinxma en Camstra. Slechts Rinse Jans en de gebroeders Jacob en Lieuwe Lieuwes waren zelf eigenaar van hun bedrijf. Zij waren bezitter van het grote Monsmazate en het zal het dorp in die dagen goed gedaan hebben dat het grootste bedrijf in handen van eigen dorpsgenoten was en ook gedurende de hele geschiedenis bleef. Na de Franse tijd veranderde de toestand volkomen. De rol van de adel was voor wat het grondbezit betreft in onze omgeving vrijwel uitgespeeld. In 1818 kenden nog slechts 4 zaten een adelijke eigenaar. Nieuwe namen duiken nu op als Memerda, Terpstra en Hannema.


Voor wat betreft het dorp weten wij dat het in de periode 1750 - 1800 gemiddeld een kleine 40 woningen telde. Dat aantal bleef in al die jaren vrijwel constant, met een lichte daling in de jaren tussen, 1782 wat wij in vrijwel alle dorpen zien.

Uit een belastingkohier uit 1747, het "quotisatiekohier", weten wij dat Brantgum in dat jaar 127 inwoners telde, waaronder 44 kinderen onder de 12 jaar, die tesamen 30 huishoudingen vormden. Een halve eeuw later is de dorpsbevolking gegroeid tot ca. 160 personen. Wij weten dat uit een lijst van leden van leden van het gereformeerd genootschap", die de kerkenraad onder leiding van Ds. A. van Vliet 1798 in verband met de toen voltrokken scheiding tussen kerk en staat opstelde. Wij zijn dan in het begin van de tijd van patriotten en Fransen, een tijd die ook Brantgum niet geheel onberoerd heeft gelaten. Zo werd Geert Geerts in 1795 opgepakt omdat hij "Oranje boven" had geroepen. Hij kwam in de gevangenis in Leeuwarden terecht en werd op 29 september veroordeeld tot een half jaar verbanning uit Friesland. Hij keerde later weer in Brantgum terug en zijn naam komt dan ook weer voor op de kerklijst van 1798. Wel bleef hij voorlopig uitgesloten van het kiesrecht, want op het stemregister voor de grondvergaderingen van 1798 komt hij niet voor. Blijkens diezelfde lijst heeft de overgrote meerderheid van het dorp zich echter zonder veel problemen "aangepast", de namen van 32 gezinshoofden worden daarin genoemd.


Ook bestuurlijk bracht de franse tijd grote veranderingen. Tot die tijd maakte Brantgum deel uit van de door grietman en bijzitters bestuurde grietenij Westdongeradee. In 1811 werd die gesplitst in drie kleine gemeenten, Holwerd, Ternaard en Nes, waar een door het franse gezag aangestelde maire en adjunct maire het voor het zeggen hadden. Brantgum maakte deel uit van de mairie Holwerd. Lang heeft die toestand niet geduurd en de val van Napoleon en het vertrek van de fransen uit ons land werd de oude toestand weer hersteld. Daarbij was er echter êên uitzondering en die kennen wij vandaag nog. Het door de Fransen ingestelde kadaster kent die oude indeling nog steeds en hoort Brantgum bij de kadastrale gemeente Holwerd.

Hoe dichter wij bij onze tijd komen, hoe meer gevevens er tot onze beschikking staan.Bij de volkstelling van 1 januari 1830 telde Brantgum 225 inwoners, waarvan 36 volledige gezinnen. Tien jaar later bleek de bevolking met 14 personen toegenomen te zijn. Mannen en jongens blijken die aanwas voor hun rekening te hebben genomen. Brantgum was toen een levendig dorp, naast landbouw en veehouderij, het hoofdmiddel van bestaan, werden in het dorp tal van beroepen uitgeoefend.zoals bakker, schoenmaker, smid, timmerman, linnenwever, koopman, winkelier, schipper, kastelein naaister en onderwijzer.Tienjaar later was de kastelein naast zijn herberg een wagenmakerij begonnen. Zijn vrouw dreef de bij de herberg horende winkel. Bovendien vestigde zich een schilder, een aanwinst voor het dorp..
Ook cultureel kon Brantgum aardig meekomen. In 1867 werd een op initiatief van de bekende Ds. Rense Posthumus een bibliotheek opgericht. Men begon met 150 boeken, waarvan door 80 lezers gebruik werd gemaakt . Al heel gauw bleek de bibliotheek duidelijk in een behoefte te voorzien. Het boekenbezit steeg met het jaar en reeds twee jaar na de oprichting was dat ruim verdubbeld tot 340 Jaar na jaar ging die stijging door om bij het 25-jarig bestaan het magische getal van 1000 te bereiken. In dat jaar hadden er 2000 uitleningen plaatsgevonden en nog kwam er geen einde aan de groei. Tien jaar later waren dat er 2500 en in 1907 bereikte het boekenbezit het getal van 2000. Mogelijk had men toen al te kampen met plaatsgebrek, want ruim 250 boeken vonden een onderkomen in de school. Na 1907 werd het minder en werd waarschijnlijk een deel van het bezit afgestoten zodat de bibliotheek in 1911 nog slechts 1000 boeken telde.De kosten werden gedragen door de kerkvoogdij van Brantgum en Waaxens en enkele particulieren. In 1878 bedroeg die subsidie f 30, waarvan het leeuwendeel afkomstig was uit Brantgum.De kerkvoogdij stond sterk onder invloed van het al op het einde van de 19e eeuw in Holwerd tot stand gekomen departement van 't Nut.
In Brantgum kwam het zo ver niet, maar wel nam de kerkvoogdij een aantal typische Nutsaktiviteiten voor zijn rekening. De zojuist besproken bibliotheek was er êên van, maar daarnaast kwam er in het dorp in 1867 een naai-en breischool, gevolgd door een kleuterschool 7 jaar later. De poging om een zangkoor tot stand te brengen in 1854 is helaas mislukt. Een jaar na zijn oprichting ging het koor reeds ter ziele en ik weet niet of latere pogingen in die richting wel succes hebben gehad.
Een heel belangrijke plaats heeft in het dorp de nu al bijna 4 1/2 eeuw bestaande school ingenomen. Ruim 3 eeuwen lang zijn de kosten daarvoor ten laste van het dorp gekomen. In 1871 werd het daarvan op last, maar het gemeentebestuur wilde toch wel graan van de kerkvoogdij de f350 hebben, die de schoollanden opleverden. Met enige moeite bleek men daartoe bereid te zijn en zo ontstond de wat merkwaardige toestand dat de kerkvoogdij de gemeentelijke school subsidieerde.
In 1843 was het aloude schoollokaal vervangen door een nieuw gebouw, waarin zowel meester als leerlingen onderdak vonden. Het traktement van die meester was in die tijd niet bepaald hoog en dat leidde er toe dat de meester in 1856 wegens diefstal van lood van de kerktoren tot een gevangenisstraf van êên jaar werd veroordeeld. Het was een man, "die het noch aan bekwaamheid, noch aan scherpzinnigheid des verstands ontbreekt, een man met kennis en fijn oordeel, maar zonder goeden wil en zedelijke macht ", aldus de burgemeester in zijn mededeling aan de gemeenteraad van dit treurige feit.
De school telde toen 32 leerlingen, welk getal 15 jaar later was gestegen tot 51: 26 jongens en 25 meisjes. De school was duidelijk te klein en de gemeenteraad besloot daarom op 16 april 1872 tot de stichting van een nieuwe school met schoolhuis, speelplaats en tuin. Als wij zien dat de oude school in 1843 door de Dokkumer timmerman Jan Riedes Bakker voor f 858 gebouwd was en dat zo'n 30 jaar later de Foudgumer aannemers Timmerman voor het nieuwe complex 7425 in rekening brachten, dan kunnen wij ons voorstellen hoe trots Brantgum was op het nieuwe riante onderkomen van de school. Met een voor ons, verwend met al onze technische hulpmiddelen, verbijsterende snelheid werd het werk aangepakt. Op 23 mei had de gunning plaatsgevonden, het metsel- en timmerwerk aan gebouw en meubilair diende uiterlijk op 27 juli uitgevoerd te zijn en het geheel werd op 24 augustus opgeleverd.
De nieuwe school had kennelijk aantrekkingskracht op de leerlingen en bij het 10-jarig bestaan zwaaiden meester Sonnema en hulponderwijzer Beswerda de scepter over een kleine 100 jongens en meisjes. Uit dit korte overzichtje komt Brantgum naar voren als een levend en levendig dorp en dat is het ook nu nog. Het inwoneraantal is sinds 1830 nauwelijks gestegen, 225 toen en 229 in 1989, maar daar tegenover staat een verdubbeling van het aantal woningen van ongeveer 40 in 1830 tot 88 in onze dagen~ wat de leefbaarheid natuurlijk ten goede kwam. Natuurlijk is er in de loop van de tijd het een en ander verdwenen en bedrijven zijn van karakter veranderd. Wagenmakerij werd autobedrijf,. huisschilder werd kunst- en zijdeschilder. Gebleven zijn, uiteraard de agrarische bedrijven, van de 17 zijn er nu nog ruim 10 in bedrijf. Gebleven is ook de winkel. Het lot van de school heeft aan een zijden draad gehangen, maar gelukkig is het gevaar nu afgewend en heeft Brantgum in 1989 een gloednieuw schoolgebouw gekregen ter vervanging van het ruim 100 jaar oude gebouw, dat nu eens niet gesloopt gaat worden maar een andere bestemming als huisvesting voor een bedrijf gaat krijgen. Brantgum een levend en levendig dorp. Terecht heeft het gemeentebestuur in het Beleidsplan Kleine Kernen Dongeradeel Brantgum dan ook aangewezen als "basisdorp". Dat betekent onder meer dat daarvan op actieve wijze de groei zal kunnen worden bevorderd door stimulering van de woningbouw. Instandhouding van het bestaande dorpsgoed en voorzieningen is natuurlijk eveneens doel van het beleid.

Bron: www.nofriesland.nl/brantgum

Wapen van Brantgum

"In zilver een rechterschuinbalk, linksboven vergezeld van een lelie en rechtsonder van een zesspakig rad, alles van keel, de balk beladen met een penseel van goud met de steel naar beneden gericht."

Wapen van Brantgum

Oorsprong/verklaring :
De balk is afgeleid van het wapen van Westdongeradeel en verwijst tevens naar de weg die het dorp doormidden snijdt. De penseel is een herinnering aan de plaatselijke schilder Ids Wiersma. Het rad is het symbool van de H.Catharina, de voormalige kerkpatroon. De lelie is afkomstig uit het wapen van de familie Rinnerda.

Bron: www.ngw.nl

 

 

Ee

Groot Midhuizen

Nes

Wie



 
             
Copyright © 2006 Friesland digitaal