Rijs in beeld

 

Hooibergen
Welkom in Rijs

Rijs ligt aan de weg Oudemirdum - Hemelum. Het telt nu ongeveer 200 inwoners. Rijs is in de 19de en 20ste eeuw door ontginning van buurtschap uitgegroeid tot een dorp. Het was rond die tijd niet meer dan een klein buurtje onder Bakhuizen. Markant onderdeel daarvan was 'Huize Rijs' waarvan het woonhuis in 1937 werd gesloopt. Rond dit huis nam na 1850 de bebouwing toe. Er verrezen enkele villa's, hotel en woonhuizen. Een van de mooiste villa's die er nu nog staat is het in 1912 gebouwde 'Mooi Gaasterland'. Ooit was het een buitenhuis van een edel geslacht. Daarna werd het een kinderkoloniehuis. Nu is het al weer jaren een Medisch Kinderhuis. Naast deze villa staat sinds 1947 een kapelletje van de Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilige Hart'. Deze vonden hun oorsprong in 1882 in Issoudun te Frankrijk. Het hoofdklooster voor Nederland staat in Tilburg.

Dit is echter niet het enige wat Rijs met het geloof verbind. In 830 stichtte Odolf een kapittel in Stavoren. Na een verval in 1132 werd het omgezet in een Abdij van Benedictijnen. Deze Abdij had onder andere een uithof in Rijs. Dit was een kapel waarin een beeld van Maria in Friese kledij stond. Hierdoor werd Rijs een soort bedevaartsoord. In 1400 is de Abdij in Stavoren verwoest. 15 jaar later begon men met de herbouw in het zuiden van Stavoren, maar de abt en een deel van de monniken hadden zich in de uithoven in Rijs en Hemelum gevestigd, zodat het toezicht ontbrak. De Abdij werd zwaar geteisterd door Ige Galama en opnieuw verwoest. In 1495 werd ze verplaatst naar Hemelum. Een andere villa die er nu nog staat is 'Rijsterbosch'. Dit is jarenlang een café-restaurant geweest. Thans is 'Rijsterbosch' het kantoor en woonhuis van Dhr. J.H. de Jong, direkteur en eigenaar van Hotel Gaasterland.


In het begin van deze eeuw was er ook een steenfabriek nabij Rijs. In 1916 werden hier een honderdtal Belgische vluchtelingengezinnen ondergebracht.

Het ontstaan van het Rijsterbos


Galama
In de historie wordt er voor het eerst over aanleg van bos verteld in het midden van de 9e eeuw (845). Verder bestond Gaasterland uit uitgestrekte heidevelden. Hierdoor kwamen veel zandverstuivingen voor als gevolg van ondermeer overbegrazing. De eerste eigenaar van Rijs was de familie Galama (een edel geslacht uit Koudum) die hun stins aan wat nu heet de Smitsleane bij Rijs hadden staan. De Galama's lieten van de vaak dorre heide vruchtbare grond maken.


Schwartzenberg
Later kwam Rijs met de omliggende aan gelegde beplanting in handen van de familie Schwartzenberg. Deze liet een vaart van Rijs naar Kolderwolde graven en noemde het de Schwartzenbergsloot. De Schwartzenbergsloot die tegenwoordig gewoon de Rijstervaart heet, heeft verschillende zijtakken die doodlopen in Rijs. Een grote zijtak was de Merdersloot die via de meertjes Rijsterpoel, 't Witwater, de Merderpoel en de Kolk uitkwam bij de Zuiderzee. Intussen zijn de meertjes ingepolderd en de Merdersloot heeft nu 3 verschillende namen, namelijk de Spookhoekstervaart, Witakkersvaart en gedeelte heet de Sefonstervaart.


De Ruyter de Wildt
Aan het eind van de 17e eeuw kwam Rijs in handen van de Heer De Ruyter de Wildt. Hij was Secretaris ter Admiraliteit van Amsterdam geweest, Intendant van de Zeemacht van de staat en Geheime Raad van de Stadhouder-Koning Willem III. Hij was nog maar net op het nieuw opgetrokken 'Slot Rijs' gaan wonen, of hij gaf het bevel aan zijn werklui om de heuvelachtige en dorre heidevelden egaal te maken. Van eén deel moesten ze korenvelden maken en het andere deel moest worden beplant met tabak. Hiervoor moesten ook koren- en tabaksschuren gebouwd worden. Gelijktijdig werd ook begonnen met het bebossen van Gaasterland. Terwijl het zo goed ging met het koren en het bebossen, wilde het met de tabak niet zo goed vlotten. In Mirns was al een tabaksschuur gebouwd om de wind door de opgestoken bladeren te laten spelen tot ze droog waren. Helaas, de tabaksbouw bleef niet meer dan een experiment.


Foeke Sjoerds (schoolmeester/historicus 1713-1770) heeft deze fiasco voor het nageslacht vastgelegd. De cultuur van het edele kruid, zei hij, 'vond weinig voortgang, alzo de tabak zeer onsmakelijk, bitter, stinkende, en van eene onaangenaame reuk en geur zijnde, gene liefhebbers vond, en overzulks de kool het vet niet waerdig was'.


Rengers
De ontginning van Gaasterland zette zich in de 17e en 18e eeuw gestaag voort. Na De Wildt kwamen, zo rond 1756, de Grietmannen van Harichsteradeel op 'Slot Rijs' wonen. Jonkheer Ulbo Aylva Rengers en ook zijn zoon Lamoraal Albert Aemelius Rengers, die zijn vader als grietman opvolgde, hadden een belangrijke inbreng in de voortgang van de ontginning.


Van Swinderen
In 1825 nam de Groningse welgestelde familie Van Swinderen haar intrek in het grote huis. Het was vooral deze familie die wegen ging aanleggen en de bodem verbeterde. Via speciaal aangelegde vaarten werd van elders uit Friesland vruchtbare terpaarde aangevoerd. Van deze vooruitstrevende familie komt aan Jonkheer Meester J.H.F.K. van Swinderen de eer toe het goede evenwicht te hebben gezocht tussen ontginning en bebossing, waardoor Gaasterland de uitgebreidste en vermakelijkste lustplaats van Friesland werd genoemd.
In het laatst van de eeuw moest de familie van Swinderen door geldgebrek ( waarschijnlijk door het kelderen van de aandelen in het Suezkanaalproject ) vele stukken bos verkopen. Een gretige koper was de N.V. Stichting Exploitatie Maatschappij Gaasterland, die de aangekochte percelen bos op radicale wijze produktief maakte of die bij stukken en beetjes doorverkocht aan boeren, die er prompt de ploeg door heen trokken. Vele bomen werden gekapt en verkocht in Duitsland. Dit leverde een niet te versmaden extra centje voor de arme Gaasterlandse landarbeider op. Want wat de hereboer hem vaak op het erf en de akker onthield, maak te het bos weer goed. Wie aan de rand van de honger leeft, eet zonder wroeging de schoonheid op.


Gaaikema
Het was de toenmalige burgemeester van Gaasterland, die zich inzette tegen het onoordeelkundige gebruik van de bossen in zijn gemeente. Verontrustend door het toenemende boomverlies wees hij zijn gemeenteraadsleden op de schade en op het belang dat de gemeente bij het voortbestaan van de bossen in Gaasterland had. Er moet nog gered worden wat er te redden valt, meende burgemeester Gaaikema: de bossen die er nog zijn moeten we behouden en beschermen. In 1926 besloot het gemeentebestuur unaniem het advies in daad om te zetten en deed daarmee één van de voor de gemeente Gaasterland historisch belangrijkste besluiten. Het grootste doel van deze aankoop van de gemeente was om de bossen voor onder meer het toerisme veilig te stellen.

Het verloren hunebed

Een zekere Kouwenhoven, die in maart 1849 in de jonge bosaanplanting bij Rijs bezig was greppels te graven, stuitte op de stenen van het préhistorisch graf. Daar de op het slot wonende jonkheer Van Swinderen een paar dagen afwezig was, kon de arbeider hem niet op de hoogte brengen van zijn vondst en spitte evenwel onvermoeid door, want hij was wel nieuwsgierig naar wat er te voorschijn zou komen. Hij groef steeds dieper. Hij haalde alles wat hem in de weg kwam omver en sloeg de stenen aan gruis.

Spoedig na de thuiskomst van Van Swinderen had men wel in de gaten dat er iets belangrijks verloren was gegaan. De Leidse archeoloog Dr. L.J. Jansen had er de toen nog vrij verre reis naar Gaasterland voor over om zich op de hoogte te stellen. Wat hij aantrof was een verre, zuidwestelijke uitloper van de Drentse hunebedden. In Drenthe hebben slopers trouwens ook heel wat hunebedden vernield. In Rijs vond de Leidse doctor de vernietiging ook maar een triest geval. Hij maakte een tekening en een beschrijving van de historische plek en publiceerde die in 'De Vrije Fries'. Ook in het Algemeen Handelsblad verscheen een bericht waarin gemeld werd, "dat op het landgoed Rijs, 2 el beneden den boschgrond, een hunebed is gevonden, 7 el lang en 2 à 3 el breed, saamgesteld uit zware keistenen van verschillende grootte, waarvan de gansche hoeveelheid op ruim 30 lasten steens wordt geschat. Op den bodem daarvan vond men onderscheidende donderbeitels en urnen".

Een journalist van het Nieuwsblad van Friesland kreeg van de Leidse geleerde een aantal aardige bijzonderheden over "een langwerpige, vierkante, uit groote steenbrokken samengestelde grafkamer, op 78 duim diepte. West was de kamer open, Oost had zij één enkele steen, Zuid twee en Noord vijf. De laatsten hadden een halve el midden lijn, doch de sluitsteen aan de oost zijde was meer dan een el lang en hoog meer dan en last zwaar". Verder vermelde de doctor, dat de stichters van de Gaasterlandse steenconstructie hebben behoord tot de vroegste bewoners van dit gewest - ca. 2400 voor Christus - en naar alle waarschijnlijkheid afkomstig waren uit het Oostzeegebied. Het hunebed heeft waarschijnlijk als woning dienst gedaan.

In 1922 stelde een Groningse professor A.E. van Giffen nog eens een onderzoek in en vond de standsporen van elf draagstenen. Daardoor kon hij de vorm van het hunebed helemaal reconstrueren. Ook heeft hij toen mooi geslepen vuurstenen bijlen en aardewerkscherven (grafgiften) gevonden. Karakteristiek is de diepsteekversiering op het aardewerk. De vaten bevatten waarschijnlijk spijs en drank voor het hiernamaals. In 1958 is een gedenksteen op de plaats van het vroegere hunebed aangebracht. Deze gedenksteen is afkomstig van het Oudemirdumer Klif.

O, Gaasterland! Schoon Gaasterland!
Waar dat ik ooit mag zwerven,
Moet derven of verwerven,
Ik voel mij steeds aan u verwant,
Ik wijd aan u mijn hoofd en hand,
Ik wensch me een woning op uw zand,
En op uw grond te sterven.

( Bergumer Courant 17-8-1889)

Bron: www.hotel-gaasterland.nl

 


Sloten


 
             
Copyright © 2006 Friesland digitaal